Al-Imām Muḥammed b. ʿAbdul-Wahhāb (رحمه الله) zegt het volgende in de drie fundamenten:

En de grootste zaak die Hij verboden heeft is shirk[1]

Shaykh Ṣāliḥ b. Fawzān al-Fawzān zei hierover:

Dit is een geweldig profijt. Want sommige mensen denken dat bepaalde zaken grotere misdaden zijn en dat deze (misdaden) het grootst zijn wat Allah verboden heeft. Men zegt:

“Rente is het grootste verbod, overspel (zina) is het grootste verbod!”

Vandaar dat zij zich focussen op het verbieden van rente, zina en slecht gedrag. Echter zijn zij nalatig met betrekking tot shirk. Zij waarschuwen er niet tegen ondanks dat zij zien dat de mensen hierin (d.w.z. shirk) vervallen. Dit is grote onwetendheid omtrent de wetgeving van Allah (سبحانه وتعالى). Dus de grootste zaak die Allah verboden heeft is shirk.

Shirk is groter dan rente, het drinken van alcohol, stelen, onrechtmatig geld afnemen van mensen, gokken en kansspelen. Het is het grootste verbod! Het bewijs hiervoor is Zijn (تعالى) Uitspraak:

“Zeg (O Muḥammed): Kom, ik zal reciteren wat jullie Heer jullie heeft verboden: vereenzelvig niets in de aanbidding met Hem; en wees goed tegenover de ouders; en dood jullie kinderen niet uit angst voor armoede, Wij zullen jullie en hen voorzien; en nader geen fawāḥish (grote zonden, overspel), niet openlijk noch in het geheim; en dood geen ziel die Allah verboden heeft verklaard, behalve voor een juiste reden (volgens de islamitische wetgeving). Dit is wat Hij jullie geboden heeft, Opdat jullie zullen begrijpen. En nader het bezit van de wees niet, behalve op een goede manier.” [al-Anʿām (6):(151-152]

Deze verzen worden de tien geboden genoemd. Allah is deze verboden begonnen met Zijn Uitspraak:

“Vereenzelvig niets in de aanbidding met Hem”

En in soerah al-Isrā zegt Allah (تعالى):

“En neem geen andere goden naast Allah, anders zul je daar (in het hellevuur) zitten in (een staat van) afkeuring en in de steek gelaten.” [al-Isrā (17):22]

Hij (Allah) begon (dit vers) met het verbieden van shirk en eindigde met het verbieden van shirk. Hij (تعالى) zegt:

“En neem geen andere goden naast Allah, anders word je in de hel geworpen, vol verwijt en verworpen (van Allah`s Barmhartigheid).” [al-Isrā (17):39]

Dit wijst erop dat dit het grootste is wat Allah verboden heeft. Dit wijst ook op de uitspraak van de shaykh (Muḥammed b. ʿAbdul-Wahhāb): “En de grootste zaak die Hij verboden heeft is shirk.”

En in een authentieke overlevering staat dat de profeet het volgende werd gevraagd:

Wat is de grootste zonde?

Hij zei: “Dat je een gelijke aan Allah stelt (in Zijn aanbidding) terwijl hij jou geschapen heeft.”

En welke daarna werd er gevraagd?

Hij zei: “Dat je, je kind doodt uit angst dat hij met je zal mee-eten.”

En welke daarna werd er gevraagd?

Hij zei: “Dat je zinā (overspel) pleegt met de vrouw van je buurman.”[2]

Allah bevestigt dit in Zijn Uitspraak:

“En degenen die naast Allah geen andere god aanroepen en die geen ziel doden die door Allah verboden is verklaard (om te doden), behalve voor een juiste reden (volgens de islamitische wetgeving) en die geen overspel plegen. Want wie dat doet zal een bestraffing verkrijgen.” [al-Furqān (25):68]

Hij begon met shirk in zijn uitspraak: “Dat je een gelijke aan Allah stelt (in de aanbidding) terwijl hij jou geschapen heeft.”

Hij zei hierover dat dit de grootste zonde is. Want hij werd gevraagd welke zonde het grootst is?

Hij heeft ook gezegd: “Blijf weg van de 7 vernietigers.”

En welke zijn dat o boodschapper van Allah werd er gevraagd?

Hij zei: “Het plegen van shirk, tovenarij, het doden van een ziel wat door Allah verboden is verklaard, behalve voor een juiste reden, etc.”[3]

Ook dit wijst erop dat shirk de grootste zonde is aangezien hij hiermee begon.

Vandaar dat degene die shirk pleegt nooit het paradijs zal betreden. Allah (تعالى)zegt:

“Voorwaar, hij die deelgenoten aan Allah toekent: Allah heeft hem waarlijk het paradijs verboden. En zijn bestemming zal de hel zijn. En voor de onrechtplegers zijn er geen helpers.” [al-Māʾida (5):72]

Degene die shirk pleegt (mushrik), die wordt door Allah niet vergeven.

“Voorwaar Allah vergeeft het niet dat er deelgenoten aan hem toegekend worden (in Zijn aanbidding), en (Hij) vergeeft daarnaast wat minder is (dan shirk), aan wie Hij wil.” [an- Nisāʾ (4):48]

Dit wijst erop dat het paradijs verboden is voor degene die shirk pleegt en dat Allah hem niet vergeeft. Dit wijst er ook op dat shirk de grootste zonde is. Want alle andere zonden buiten shirk om kunnen vergeven worden.

“Voorwaar Allah vergeeft het niet dat er deelgenoten aan hem toegekend worden (in Zijn aanbidding), en (Hij) vergeeft daarnaast wat minder is (dan shirk), aan wie Hij wil.” [an- Nisāʾ (4):48]

Overspel, stelen, het drinken van alcohol en rente vallen allen onder de Wil van Allah. Als Hij wil vergeeft Hij degene die deze zaken pleegt, en als Hij wil bestraft Hij hem. Echter shirk wordt niet vergeven. Het oordeel van Allah is dat hij dit niet vergeeft.

De zondaar wordt het paradijs niet verboden, ook al heeft hij grote zonden. Zijn (uiteindelijke) bestemming is het paradijs. Of Allah vergeeft hem meteen vanaf het begin waardoor hij het paradijs binnentreedt. Of hij zal uit het hellevuur worden gehaald na zijn bestraffing om vervolgens het paradijs binnen te treden. Wat een gelovige ook begaat aan zonden die minder zijn dan shirk, hij geeft de hoop niet op met betrekking tot de barmhartigheid van Allah en hij zal het paradijs niet worden ontzegd. Hij kan vergeven worden met de Wil van Allah (سبحانه و تعالى).

Wat betreft degene die shirk pleegt, die wordt hier allemaal van onthouden. Wij zoeken toevlucht bij Allah hiertegen! Dit duidt aan dat shirk de grootste zonde is. Allah (تعالى) zegt:

“Voorwaar het toekennen van deelgenoten (aan Allah in Zijn aanbidding) is zeer zeker een geweldig onrecht.” [Luqmān (31):13]

En Hij (سبحانه) zegt:

“En wie deelgenoten toekent aan Allah (in Zijn aanbidding), die heeft waarlijk een grote zonde verzonnen.” [an-Nisāʾ (4):48]

En Hij (سبحانه)zegt:

“En wie deelgenoten toekent aan Allah (in Zijn aanbidding), die is ver afgedwaald.” [an-Nisāʾ (4):116]

Dit alles toont aan dat shirk de grootste zonde is. En als shirk de grootste der zonden is, dan is het een plicht voor de geleerden om dit te verbieden en ertegen te waarschuwen. En dat zij niet stil zijn over het waarschuwen tegen shirk. Het is ook een plicht om degenen die shirk plegen te bestrijden wanneer men daartoe in staat is. Net zoals de boodschapper van Allah (صلى الله عليه و سلم)dit heeft gedaan.

Allah (تعالى) zegt:

“Dood dan de mushrikīn waar jullie hen ook treffen, en grijp hen, en bereid voor hen elke hinderlaag.” [at-Tawba (9):5]

Het is dus, een plicht om te waarschuwen voor shirk en dit te verduidelijken aan de mensen zodat zij hier van wegblijven. Dit is hetgeen wat verplicht is!

Echter om stil te blijven over shirk en de mensen anderen naast Allah te laten aanbidden terwijl zij islam claimen en er niemand is die hiertegen waarschuwt is een gevaarlijke zaak. Er zijn mensen die waarschuwen tegen rente, overspel en slecht gedrag. Dit zijn (inderdaad) verboden zaken en er schuilt veel slechts achter. Maar shirk is erger! Dus waarom spitsen zij zich niet op het verbieden en waarschuwen tegen shirk en het verduidelijken waar veel mensen in vervallen aan grote shirk terwijl zij de islam claimen?

Waarom deze gemakzucht? Waarom deze nalatigheid? Waarom laten zij de mensen hierin vervallen? De geleerden zijn aanwezig en zij leven met hen samen terwijl zij hier stil over zijn (shirk). De verplichting is dat men zich als eerst focust om tegen dit groot gevaar te waarschuwen. Dit groot gevaar wat een vernietigend effect heeft gehad op de oemmah.

Elke andere zonde is minder dan shirk. Het is dus een plicht om met het belangrijkste eerst te beginnen!

Bron: Sharḥ Uṣūl at-Thalātha blz. 82-87. Uitgever: Muʾasasa Ar-Risāla, Beirut Libanon. 1ste druk 2006.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie: www.ahloelhadieth.nl

[1] Voetnoot vertaler: Dat men een gelijke aan Allah aanstelt en deze aanroept, op hem hoopt, bang voor hem is, op hem vertrouwt, naar hem verlangt (in plaats van naar Allah te verlangen) en andere vormen van aanbiddingen (verricht voor deze gelijke).

[2] Overgeleverd door al-Bukhārī (6861) en Muslim (86) vanuit de overlevering van ʿAbdullah b. Masʿūd (رضي الله عنه).

[3] Overgeleverd door al-Bukhārī (2766) en Muslim (89) vanuit de overlevering van Abī Hurayra (رضي الله عنه).

Arabische screenshot bronnen: