Op gezag van Barza bint Rāfiʿ (moge Allah tevreden zijn met haar), dat zij zei: Toen de toelage kwam, stuurde ʿUmar het aandeel van Zaynab bint Jaḥsh naar haar toe. Toen het bij haar werd afgeleverd, zei ze: “Moge Allah ʿUmar (ibn al-Khaṭṭāb) vergeven; een van mijn (andere) zusters zou beter in staat zijn geweest dit te verdelen dan ik.”
Men zei tegen haar: “Dit alles is voor u.” Ze antwoordde: “Subḥānallāh!” Vervolgens bedekte ze het (geld) met een doek en zei: “Stort het uit en leg er een doek overheen.” Men deed dat. Daarna zei ze tegen mij: “Steek je hand erin, neem er een greep uit en breng het naar de familie van die-en-die, en naar de familie van die-en-die, onder de wezen en verwanten.”
Zo bleef ze uitdelen totdat er slechts een klein restant overbleef. Toen zei Barza tegen haar: “Moge Allah u vergeven! Bij Allah, wij hadden toch ook een aandeel hierin.” Zaynab zei: “Voor jullie is wat onder het doek ligt.” We sloegen het doek open en vonden vijfentachtig dirham. Toen hief ze haar handen op en zei: “O Allah, laat mij na dit jaar geen toelage van ʿUmar meer ontvangen.” En ze overleed kort daarna.[1]
Op gezag van ʿĀʾisha (moge Allah tevreden zijn met haar) dat zij zei: “De Boodschapper van Allah ﷺ zei eens tegen zijn vrouwen: ‘Degene van jullie die mij het eerst zal volgen (na mijn dood), is degene met de langste hand.’”
ʿĀʾisha zei: “Telkens wanneer wij daarna bijeenkwamen, na het overlijden van de Boodschapper van Allah ﷺ, strekten wij onze handen tegen de muur om te zien wie van ons de langste had. Zo bleven wij dat doen, totdat Zaynab bint Jaḥsh overleed. Zij was een vrouw van kleine gestalte en niet degene met de langste hand. Toen begreep ik dat de Profeet ﷺ met ‘de langste hand’ aalmoezen (en vrijgevigheid) had bedoeld. Zij was een vaardige vrouw: ze werkte met haar handen en gaf het verdiende weg omwille van Allah.”[2]
Zaynab bint Jaḥsh overleed in het jaar 20 (na de Hidjra), op drieënvijftigjarige leeftijd. Moge Allah haar genadig zijn.
[1] Overgeleverd door Ibn Saʿd in al-Ṭabaqāt (8/109).
[2] Overgeleverd door al-Bukhārī nr. 1420, Muslim nr. 2452, al-Nasāʾī nr. 2540 en Aḥmad nr. 24378.
Bron: Ṣifat aṣ-Ṣafwa deel 1 blz. 382-383. Uitgever: Dār Ḍiyā ͗ as-Shām te Damascus Syrië. 1ste druk 2018 & zie screenshots hieronder.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie: www.ahloelhadieth.nl
Screenshots Arabische Bron:


![[De Vrouwelijke Salaf nr. 9] Ḥafṣa bint Sīrīn](https://www.ahloelhadieth.nl/wp-content/uploads/2023/06/The-veil-of-Muslim-women-218x150.jpg)
![[E-Boek] Mijn Geduldige Zusje](https://www.ahloelhadieth.nl/wp-content/uploads/2025/06/LOUD-19-218x150.jpg)
![[E-Boek] De gebeurtenis van al-ifk (De laster jegens ʿĀʾisha – De moeder der gelovigen)](https://www.ahloelhadieth.nl/wp-content/uploads/2025/05/LOUD-7-218x150.jpg)










