Shaykh al-Islām Ibn Taymiyya zei het volgende:

Onder de mensen zijn er die roddelen om hun gezelschap, vrienden of stamgenoten te plezieren, terwijl zij weten dat degene over wie geroddeld wordt onschuldig is aan wat er gezegd wordt, of dat slechts een deel ervan waar is. Zij denken echter dat, als zij hen zouden terechtwijzen, de bijeenkomst verstoord zou worden, de aanwezigen hen lastig zouden vinden en zich van hen zouden afkeren. Daarom zien zij het meegaan met hen als een teken van goede omgang en prettige vriendschap. Soms worden die anderen boos, en dan worden zij ook boos omwille van hun boosheid, en mengen zij zich met hen in het gesprek.

En onder hen zijn er die roddel in verschillende vormen gieten:

Soms in de vorm van vroomheid en rechtschapenheid, waarbij hij zegt: “Het is niet mijn gewoonte om iemand anders te noemen dan in goede zin, en ik houd niet van roddel of leugens; ik vertel jullie slechts over zijn situatie.” Of hij zegt: “Bij Allah, hij is een arme man of: hij is een goed mens, maar in hem zit dit en dat.” En soms zegt hij: “Laten we het niet over hem hebben; moge Allah ons en hem vergeven.” Terwijl zijn werkelijke bedoeling is hem te kleineren en zijn reputatie te schaden. Zij gieten roddel in een vorm van vroomheid en godsdienstigheid, en trachten daarmee Allah te misleiden, zoals zij ook mensen misleiden. Wij hebben van hen vele vormen hiervan en soortgelijke voorbeelden gezien.

En onder hen zijn er die een ander uit schijnheiligheid prijzen om zichzelf te verheffen. Zo zegt hij: “Gisteravond heb ik in mijn gebed voor die-en-die gebeden, nadat mij over hem dit en dat ter ore was gekomen,” om zichzelf te verhogen en hem te verlagen in de ogen van wie hem gelooft. Of hij zegt: “Die-en-die is traag van begrip en heeft weinig inzicht,” terwijl zijn bedoeling is zichzelf te prijzen, zijn kennis te etaleren en te laten zien dat hij beter is dan de ander.

En onder hen zijn er die door afgunst tot roddel worden gedreven en zo twee verwerpelijke zaken combineren: roddel en afgunst. Wanneer zij iemand prijzen, proberen zij die lof vervolgens zo veel mogelijk weg te nemen door hem te kleineren, hetzij in de vorm van vroomheid en rechtschapenheid, hetzij in de vorm van afgunst, verdorvenheid en kritiek, om hem in de ogen van anderen te doen vallen.

En onder hen zijn er die roddel in de vorm van spot en spel gieten, om anderen aan het lachen te maken door iemand te bespotten, hem na te doen en hem te kleineren.

En onder hen zijn er die roddel in de vorm van verwondering gieten en zeggen: “Ik verbaas me over die-en-die: hoe kan het dat hij dit of dat niet doet?!” of: “Ik verbaas me over die-en-die: hoe kan het dat dit of dat van hem afkomstig is?” of: “Hoe heeft hij dit of dat gedaan?” Zo noemen zij zijn naam onder het mom van hun verwondering.

En onder hen zijn er die roddel in de vorm van medelijden gieten en zeggen: “Die-en-die is armzalig (miskīn), het doet me verdriet wat hem is overkomen en wat er met hem gebeurd is,” zodat degene die het hoort denkt dat hij werkelijk met hem begaan is en het betreurt, terwijl zijn hart in werkelijkheid vervuld is van leedvermaak. Had hij de kans, dan zou hij zijn toestand zelfs verslechteren. Soms noemt hij hem bij naam in het bijzijn van diens vijanden, zodat zij plezier beleven aan zijn tegenspoed. Dit en soortgelijke zaken behoren tot de ernstigste ziekten van het hart en vormen van huichelarij tegenover Allah en Zijn schepselen.

En onder hen zijn er die roddel presenteren in de gedaante van boosheid en het afwijzen van iets verwerpelijks, en daarbij fraaie woorden laten horen, terwijl hun werkelijke bedoeling iets anders is dan wat zij doen voorkomen.

En Allah is degene van Wie hulp wordt gezocht.

Bron: Majmū ͑ al-Fatāwā (28/238). Zie screenshots hieronder.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie: www.ahloelhadieth.nl

Screenshots Arabische Bron: