Een vooraanstaande vrouw onder de Tabiʿīn, bekend om haar toewijding in aanbidding, haar kennis van de islamitische jurisprudentie, haar recitatie van de Qur ͗ān en ḥadīth.

Iyās ibn Muʿāwiya zei: “Ik heb niemand ontmoet die ik boven Ḥafṣa bint Sīrīn stel.”

Men zei tegen hem: “En al-Ḥasan (al-Baṣrī) en Ibn Sīrīn dan?”

Hij antwoordde: “Wat mij betreft stel ik niemand boven haar.”

Volgens Ibn Abī Dāwūd behoren tot de voornaamste vrouwen onder de Tabiʿīn: Ḥafṣa bint Sīrīn en ʿAmra bint ʿAbd al-Raḥmān, gevolgd door Umm al-Dardāʾ al-Ṣughrā.

Ḥafṣa had de edele Qur ͗ān al op twaalfjarige leeftijd uit het hoofd geleerd. Wanneer Ibn Sīrīn een moeilijkheid in de Qur ͗ān tegenkwam, zei hij: “Ga en vraag aan Ḥafṣa hoe zij het reciteert.”

Wat betreft haar aanbidding: daarin had zij een groot aandeel. Ze betrad haar gebedsruimte en verrichtte daar het ẓuhr-, ʿaṣr-, maghrib-, ʿishāʾ- en fajrgebed. Vervolgens bleef ze er tot de zon hoog aan de hemel stond, verrichtte nog extra gebeden en verliet daarna de ruimte. Op dat moment verrichtte ze haar (kleine) wassing en ging slapen, tot het tijd werd voor het volgende gebed — waarna ze terugkeerde naar haar gebedsruimte en dit patroon herhaalde.

Mahdī ibn Maymūn vermeldde dat Ḥafṣa dertig jaar lang op haar gebedsplek verbleef en deze slechts verliet voor een noodzakelijke behoefte of een ontmoeting.

Ḥafṣa reciteerde elke nacht de helft van de Qur ͗ān. Zij vastte voortdurend, met uitzondering van de twee feestdagen (ʿĪd al-Fiṭr en ʿĪd al-Aḍḥā) en de dagen van at-Tashrīq (de drie dagen na het offerfeest).

Men vertelde dat zij een doodskleed had. Wanneer zij op bedevaart ging en de staat van iḥrām binnentrad, droeg zij dat kleed. Wanneer de laatste tien nachten van Ramaḍān aanbraken, stond zij ‘s nachts op en droeg het eveneens.

Een van haar uitspraken luidde: “O jongeren, neem het beste van jezelf nu je nog jong bent, want ik heb gezien dat daden van aanbidding het krachtigst zijn in de jeugd.”

Ḥafṣa heeft overleveringen (ḥadīth) overgeleverd van haar broer Yaḥyā, van Anas ibn Mālik, van Umm ʿAṭiyya al-Anṣāriyya, van al-Rabāb (de moeder van al-Rāʾiḥ), van Abū al-ʿĀliya, van Abū Dhubyān Khalīfa ibn Kaʿb, van al-Rabīʿ ibn Ziyād al-Ḥārithī en van Khayra (de moeder van al-Ḥasan al-Baṣrī).

Er wordt ook gezegd dat zij overleverde van Salmān ibn ʿĀmir, al-Ḍaḥḥāk en een aantal anderen.

Onder degenen die van haar hebben overgeleverd bevinden zich: Muḥammad ibn Sīrīn, Qatāda, ʿĀṣim al-Aḥwal, Ayyūb, Khālid al-Ḥadhdhāʾ, Ibn ʿAwn en Hishām ibn Ḥassān.

Yaḥyā ibn Maʿīn zei over haar: “Zij is betrouwbaar (thiqqah) en een gezaghebbende bron (ḥujjah).”

Aḥmad ibn ʿAbd Allāh zei: “Zij is betrouwbaar.”

Ibn Ḥibbān noemde haar in zijn werk al-Thiqāt (De betrouwbaren).

Zij overleed in het jaar 101 na de Hidjra, op zeventigjarige leeftijd. Volgens een andere overlevering stierf zij in het jaar 92 na de Hidjra.

Bron: A ͑lām al-Nisā ͗ 1/272-274 van ͑Umar Riḍā Kuḥala. Uitgever: Mu ͗asasat al-risāla te Beiroet Libanon. Zie screenshots hieronder.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie: www.ahloelhadieth.nl

Screenshots Arabische Bron: