Shaykh Ṣāliḥ b. Fawzān al-Fawzān zei het volgende:

Er zijn een aantal zaken die verboden zijn voor de vastende maar het vasten (zelf) niet verbreken. Deze (zaken) worden figuurlijke verbrekers (mufaṭṭirāt maʿnawiyya) genoemd.

Zoals het roddelen (ghība). Dit is het vermelden van je broeder met datgene waar hij een afkeer tegen heeft.

En zoals het lasteren (namīma). Dit is het verspreiden van laster tussen de mensen.

Zo ook het beledigen, schelden, vervloeken en andere soorten woorden die verboden zijn.

Al deze zaken zijn verboden voor een moslim. Het maakt niet uit of hij aan het vasten is of niet. Echter wanneer men het doet ten tijde van het vasten dan is dit erger! Want het kan zijn dat dit de beloning van het vasten wegneemt waardoor een persoon zonder enige beloning achterblijft. Het enig wat dan achterblijft is vermoeidheid, dorst en honger.

De profeet ﷺ heeft gezegd:

‟Degene die valse uitspraken, het handelen hiernaar en onwetendheid niet laat, Allah heeft het niet nodig dat deze persoon zijn eten en drinken laat.” [1]

Deze zaken zijn dus te allen tijde verboden. Echter voor de vastende wegen zij zwaarder! Want het neemt de beloningen weg of vermindert ze en doorboort ze. Want het vasten is een schild[2] (een bescherming) zoals de profeet ﷺ heeft gezegd.

Wanneer een schild gaten bevat, dan zal deze weinig van nut zijn voor haar eigenaar en zodoende hem niet kunnen beschermen tegen de pijlen van de vijand. Echter wanneer het schild sterk en solide is dan zal deze hem beschermen tegen het wapen van de vijand.

Zo ook het vasten. Wanneer het vasten correct is en vrij is van roddelen, lasteren, valse uitspraken en het schelden, dan zal dit hem beschermen tegen de bestraffing van Allah.

Echter wanneer zijn vasten flinterdun is en doorboort is met roddelen, lasteren, valse uitspraken, beledigingen en het schelden, dan zal dit vasten hem niet beschermen tegen zonde noch tegen de bestraffing.

Ook al word je uitgescholden of beledigd dan dient men hier niet op te reageren. Ook al is het zo dat vergelding toegestaan is. Allah (تعالى) zegt:

‟En de vergelding voor een slechte daad is dezelfde slechte daad. Maar voor wie vergeeft en verzoent, zijn beloning is bij Allah.” [As-Shūrā (42):40]

En Allah (جل و علا) zegt:

‟En wie zich verdedigt nadat hem onrecht is aangedaan, zij zijn degenen tegen wie er geen weg (tot bestraffing) is.” [As-Shūrā (42):40]

Vergelding is dus toegestaan. Wanneer iemand over jou spreekt, dan mag je ook over hem spreken met hetzelfde als hetgeen hij over jou gezegd heeft. Dit ter vergelding.

Echter de vastende vergeldt niet. Ook al wordt hij uitgescholden of beledigd dan reageert hij niet maar zegt dan:

‟Ik ben vastende, ik ben vastende.” [3]

Bron: As-Sharḥ ʿalā matn zād al-mustaqniʿ, deel 2 blz. 382-383. Uitgever: Dār Al-ʿĀṣima lil-nashr wa tawzīʿ, Riyad Saoedi-Arabië. 1ste druk 2004.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie:  www.ahloelhadieth.nl

[1]Overgeleverd door al-Bukhārī (3/33).

[2]Overgeleverd door al-Bukhārī (3/31) & Muslim (3/157).

[3]Overgeleverd door al-Bukhārī (3/31) & Muslim (3/157).