Shaykh Ṣāliḥ b. Fawzān al-Fawzānzei het volgende bij de uitleg van ḥadīth Jibrīl[1]:

Zijn (ʿUmar’s) uitspraak:‟Zeer witte kleding…”

Vanwege de schoonheid.

En zijn (ʿUmar’s) uitspraak:‟Zeer zwarte haar…”

Met andere woorden, een mooi uiterlijk. Dit is tevens het bewijs dat het gewenst is voor een student van de kennis wanneer hij een kennisbijeenkomst bijwoont zich dient te verfraaien. Dat hij met een verzorgd uiterlijk komt. Want Jibrīl kwam om te onderwijzen en om te leren. Zodoende heeft hij hen geleerd hoe zij naar de zittingen van de boodschapper ﷺ dienen te komen. Want een kennisbijeenkomst is een bijeenkomst van waardigheid en respect. Het ontmoeten van de boodschapper ﷺ en de geleerden heeft voorbereiding nodig. Het eren en respecteren van de geleerden is gewenst. Want wanneer je de geleerde niet eert of respecteert dan zul je geen profijt halen uit zijn kennis.

Dus zijn uitspraak: ‟Vervolgens ging hij bij de profeet ﷺ zitten…”

Maakt de manieren van een student van de kennis duidelijk. Van deze manieren:

Ten eerste: Dat hij zich dient te verfraaien qua uiterlijk.

Ten tweede: Dat hij tegenover de leraar gaat zitten met belangstelling om kennis te vergaren. Hij dient zich niet van hem af te wenden, om zich heen te kijken, grappen te maken of bezig te zijn met iets anders. Hij dient zich met zijn lichaam en gedachten te richten naar de geleerde zodat hem de gelegenheid om kennis te vergaren niet ontgaat.

Zijn uitspraak: ‟En plaatste zijn knieën tegen de knieën van de profeet…”

Jibrīl plaatste zijn knieën tegen de knieën van de profeet ﷺrecht tegenover hem en dichtbij. Dit maakt duidelijk dat de student van de kennis zo dicht mogelijk bij de leraar dient te komen zodat er een continuïteit aan profijt plaatsvindt. Echter degene die ver weg zit daarbij kan het zijn dat hij niets hoort en als hij toch iets hoort kan het zijn dat de stem niet duidelijk genoeg is. Dus wanneer hij dichtbij is hoort hij duidelijk de stem. En de metgezellen (رضي الله عنهم) die kwamen dichtbij de profeet ﷺ zitten en omringden hem wanneer zij kennis vergaarden van hem.[2]

Zijn uitspraak: ‟En plaatste zijn handen…”

Jibrīl plaatste zijn handen op zijn (eigen) dijen. Dit maakt duidelijk dat de leerling zich kalm en gemanierd dient op te stellen. Zonder te veel te bewegen, om zich heen te kijken of bezig te zijn met zaken die hem ervan weerhouden om kennis te vergaren.

Vervolgens begon hij de profeet ﷺ vragen te stellen. Dit maakt duidelijk dat wanneer hij gaat zitten en op rust is gekomen hij (kan beginnen met) vragen stellen. Hij dient geen vragen te stellen meteen wanneer hij aankomt, echter dient hij eerst op een goede manier te zitten om vervolgens te vragen. Dit is het kenmerk van een student van de kennis en valt onder de goede manieren van een student van de kennis.

Hij (i.e. Jibrīl) vroeg de profeet ﷺ terwijl hij in werkelijkheid op de hoogte was van het antwoord. Maar hij vroeg de profeet ﷺ om zijn (i.e. Muḥammed’s) metgezellen te onderwijzen. Dit is een manier van onderwijs door middel van vraag en antwoord waarbij men de aandacht trekt.  Dus men vraagt eerst de leerling een vraag en vervolgens geeft men het antwoord om zodoende zijn aandacht te trekken. Echter wanneer je hem (meteen) vanaf het begin met kennis voorziet kan het zijn dat je zijn aandacht niet hebt. Een van de profijtvolle manieren om kennis te onderwijzen is dus door middel van vraag en antwoord.

Bron: Sharḥ ḥadīth Jibrīl (ʿalayhī as-salām) blz. 8-9. Uitgever: Dār al-ʿĀṣima, Riyad Saoedi-Arabië. 1ste druk 2008.
Vertaling: Yūsuf Abū Ṣafiyya
Publicatie: www.ahloelhadieth.nl

[1]Op gezag van ʿUmar b. al-Khattāb (رضي الله عنه) die gezegd heeft:

‟Terwijl wij op een dag bij de boodschapper van Allah ﷺ zaten, verscheen er een man met zeer witte kleding en zeer zwarte haar. Hij vertoonde geen tekenen van een reis noch kende iemand hem van ons. Vervolgens ging hij bij de profeet ﷺ zitten en plaatste zijn knieën tegen de knieën van de profeet en plaatste zijn handen op zijn dijen en zei: ‟O Muḥammed bericht mij over de islam.”De profeet ﷺ antwoordde hierop: ‟Islam is dat je getuigt dat er geen (enkele) god is (die het recht heeft om aanbeden te worden) dan Allah, dat Mohammed de boodschapper van Allah is, dat je het gebed onderhoudt, de zakāt geeft, tijdens de Ramadan vast en het verrichten van de bedevaart naar het Huis (i.e. Kaʿba), als je daartoe in staat bent.” Hij zei: ‟U hebt de waarheid gesproken.”

Hij (i.e. ʿUmar) zei: ‟Wij waren verbaasd dat hij hem iets vroeg om vervolgens het antwoord te bevestigen.”

Vervolgens zei hij: ‟Bericht mij over al-imān.”Hij ﷺ antwoordde: ‟Dat je gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn profeten, de Laatste Dag en dat je gelooft in de voorbeschikking (al-qadr), het goede en het slechte ervan.”Hij zei: ‟U hebt de waarheid gesproken.”

Vervolgens zei hij: ‟Bericht mij over al-iḥsān.”Hij ﷺ antwoordde: “Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet, ook al zie jij Hem niet, Hij ziet jou wel.”

Vervolgens zei hij: ‟Bericht mij over het Uur.”Hij ﷺ antwoordde:“De ondervraagde weet daar niet meer over dan de vrager.”Toen zij hij: ‟Bericht mij over de tekenen ervan. Hij ﷺ antwoordde:“Dat de slavin haar meesteres zal baren en dat je zult zien dat op bloot lopende voeten, naakte en behoeftige bedoeïen met elkaar zullen wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.”

Hierna ging hij (de vragensteller) weg en bleef ik daar voor een periode. Vervolgens zij hij ﷺ tegen mij: ‟O ʿUmar, weet jij wie de vragensteller was?”Ik zei: ‟Allah en Zijn boodschapper weten het beter.”Hij ﷺ zei: “Dat was Jibrīl, hij kwam om jullie je religie te onderwijzen.”Overgeleverd door Muslim.

[2]Overgeleverd door at- Tirmidhī (509), Abū Yaʿla in zijn Musnad (9/282) en Abū Naʿīm in zijn Ḥilyā (4/236) vanuit de overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) die zei: ‟Wanneer de boodschapper van Allah rechtstond op de minbar richtten wij ons aangezicht naar hem toe.”En de ketting van deze overlevering bevat Muḥammed b. al-Fadl b. ʿAtiyya en hij is zwak. Deze overlevering heeft (echter) een getuigenis bij Bukhārī (921) en Muslim (1052) vanuit de overlevering van Abī Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) die zei: ‟De profeet   ging zitten op de minbar en wij gingen om hem heen zitten.”

Screenshots Arabische Bron: